Het zijn maar kubussen. Zes kanten. Genummerd van één tot en met zes. Eenvoudig genoeg, toch? Toch zijn deze kleine geometrische objecten al duizenden jaren de drijvende kracht achter menselijk gedrag. Je schudt ze. Je gooit ze. Je hoopt dat de bovenste gezichten samen iets opleveren waarmee je kunt winnen. Of in ieder geval het spel gaande houden.
In moderne bordspellen bepaalt het resultaat uw zet. Bij gokken bepaalt het uw lot. Maar dit ging niet altijd over geld of strategie. Lang vóór de casino’s waren dobbelstenen magisch. Het waren instrumenten voor waarzeggerij. Oude culturen gebruikten ze om het lot te werpen en de toekomst te voorspellen. Het was een manier om de goden om antwoorden te vragen. De willekeur was geen bug. Het was een kenmerk van het universum.
Tegenwoordig associëren we ze vooral met kansspelen. Craps is de grote. De schutter rolt het bot. De tafel kijkt toe. Het gecombineerde totaal op de opwaartse vlakken bepaalt of het huis wint, de speler wint of iedereen gewoon doorgaat. Maar de wortels gaan verder terug dan pokerchips of casinovloeren. Prehistorische vondsten suggereren dat deze kleine kubussen tot de eerste generatoren voor willekeurige getallen behoorden die ooit zijn uitgevonden. We hebben niet alleen met ze gespeeld. Wij vereerden hen. Nu gokken we gewoon met ze. Dezelfde kubus. Andere context.



















