Nieuwe fossiele ontdekkingen onthullen dat de vroegste gewervelde dieren – primitieve kaakloze vissen uit het Cambrium (ongeveer 518 miljoen jaar geleden) – niet twee, maar vier volledig functionele, camera-achtige ogen bezaten. Het baanbrekende onderzoek, geleid door paleontologen van de Yunnan Universiteit in China, werpt licht op hoe vroege gewervelde dieren het gezichtsvermogen ontwikkelden en hoe de pijnappelklier van de hersenen in de loop van miljoenen jaren transformeerde.
De Cambrische roofwapenwedloop
Het Cambrium was een tijd van snelle evolutionaire experimenten. Dieren ontwikkelden nieuwe lichaamsplannen en zintuigen als directe reactie op de escalerende predatiedruk. Deze myllokunmingiid-vissen, een van de vroegst bekende gewervelde dieren, leefden precies in deze gevaarlijke omgeving. Hun voortbestaan was afhankelijk van een groter bewustzijn, en het lijkt erop dat ze dit bereikten via een ongebruikelijke visuele opstelling.
Vier ogen: een bredere blik in een gevaarlijke wereld
De nieuw onderzochte fossielen, bewaard in de fossielenbedden van Chengjiang in het zuiden van China, tonen twee grote laterale (zijwaarts gerichte) ogen – vergelijkbaar met moderne gewervelde dieren – naast twee kleinere, centraal geplaatste ogen. Deze configuratie zorgde waarschijnlijk voor een breder gezichtsveld, cruciaal voor het spotten van roofdieren in de chaotische Cambrische zeeën.
“Het was ongelooflijk spannend om dat te zien”, zegt professor Peiyun Cong van de Yunnan Universiteit. “We begonnen met het onderzoeken van de voor de hand liggende grote ogen om hun anatomie te begrijpen – en het was een complete verrassing om daartussen twee kleinere, volledig functionele ogen te vinden.”
De pijnappelklier: van beeldvormer tot slaapregulator
De centrale ogen zijn niet alleen primitieve restjes. Onderzoekers hebben bewijs gevonden dat deze structuren ooit volledig ontwikkelde, beeldvormende ogen waren. Moderne gewervelde dieren behouden een rudimentaire versie van deze opstelling in de pijnappelklier, een hersenstructuur die nu primair verantwoordelijk is voor het reguleren van slaapcycli door middel van lichtgevoelige melatonineproductie.
De ontdekking suggereert dat de pijnappelklier niet begon als een eenvoudige lichtsensor, maar eerder als een geavanceerd visueel orgaan dat in de loop van de tijd geleidelijk zijn beeldvormingsmogelijkheden verloor. Deze evolutionaire verschuiving verklaart waarom sommige moderne vissen, amfibieën en reptielen nog steeds een ‘derde oog’ hebben dat licht kan detecteren.
Bewijs in de fossielen: melanine en lenzen
Het team bevestigde de functionaliteit van de ogen door middel van krachtige microscopie. Ze identificeerden melanosomen – pigmenthoudende organellen die essentieel zijn voor de lichtabsorptie in levende ogen – in alle vier de ogen van de fossielen. Chemische analyse bevestigde de aanwezigheid van melanine, hetzelfde lichtgevoelige pigment dat wordt gebruikt in het moderne zicht van gewervelde dieren. Ronde structuren in de ogen geven aan dat ze in staat waren beelden te vormen en niet alleen licht te detecteren.
“Fossiele ogen zijn ongelooflijk zeldzaam”, zegt professor Sarah Gabbott van de Universiteit van Leicester. “Maar onder de juiste omstandigheden kunnen ze dat wel, en als ze dat doen, openen ze een zeldzaam venster op hoe uitgestorven dieren hun wereld zagen en ervaren.”
Een verschuiving in het begrijpen van de evolutie van gewervelde dieren
De ontdekking hervormt ons begrip van de vroege visie van gewervelde dieren. In plaats van een geleidelijke ontwikkeling van het tweeogige gezichtsvermogen aan te nemen, onthullen deze fossielen dat de voorouders van moderne gewervelde dieren visueel geavanceerde dieren waren. Hun ogen gingen niet alleen over overleven; ze gingen over het navigeren door een gevaarlijke wereld met een voordeel.
“Dit verandert de manier waarop we denken over de vroege evolutie van gewervelde dieren”, zegt Dr. Jakob Vinther van de Universiteit van Bristol. “Het blijkt dat onze voorouders visueel geavanceerde dieren waren die door een gevaarlijke wereld navigeerden.”
Het onderzoek, gepubliceerd op 21 januari 2026 in Nature, onderstreept het opmerkelijke aanpassingsvermogen van het vroege leven en biedt een meeslepend kijkje in een wereld waarin vier ogen de norm waren.
In wezen herinnert deze ontdekking ons eraan dat de evolutie zelden een rechte lijn volgt. Soms brengt het pad naar moderne complexiteit onverwachte omwegen met zich mee, zoals het tijdelijke bestaan van een vierde oog bij onze verre voorouders.



















